100 jaar oorlog = 100 jaar vluchtelingen

Door Jan Peumans op 11 november 2014, over deze onderwerpen: Voorzitterschap

        Toespraak op de Ijzerbedevaart

 Dames en heren,

         Beste bedevaarders,

         Vlaamse vrienden,

 

         Ik dank u voor de gelegenheid die u mij biedt om u reeds voor de vijfde keer op rij toe te spreken op de IJzerbedevaart. Deze gelegenheid is bovendien bijzonder omdat we dit jaar 100 jaar Groote Oorlog gedenken.

 

         De herdenking van de Eerste Wereldoorlog moet ons aanzetten om na te denken over vrede en veiligheid. Vroeger en straks. Bij ons en elders in de wereld.

 

         De Groote Oorlog heeft een diep litteken getrokken, hier in het landschap van de Westhoek, en in de hele maatschappij.  Miljoenen waren bij het begin van de oorlog vluchteling in eigen land. Omdat het Belgische leger de opmars van de Duitsers danig vertraagde, nam het Duitse leger uit frustratie wraak met willekeurige executies, moorden, verkrachtingen, brandschattingen en plunderingen. Anderhalf miljoen burgervluchtelingen namen uit vrees voor de oorlogsterreur de wijk naar Engeland, Frankrijk of Nederland.

 

         Al op 12 oktober 1914 begint de Belgische regering met Duitsland te onderhandelen over de terugkeer van de burgers. Vanaf november 1914 kunnen de meeste burgers alweer huiswaarts keren. In mei 1915 zijn er nog 100.000 burgervluchtelingen in Nederland; een aantal dat de rest van de oorlog ongeveer constant blijft. In Engeland telt men dan 200.000 Belgische vluchtelingen, in Frankrijk 300.000 vluchtelingen.[1]

 

         De situatie van de vluchtelingen is ronduit schrijnend. In Nederland laat de regering, uit angst voor de woede van de Duitsers, de opvang van de vluchtelingen aanvankelijk zelfs aan particulieren over. In een tweede fase worden de vluchtelingen ondergebracht in opvangkampen. De kampen worden bewaakt. De Nederlandse overheid is er namelijk voor beducht dat de Belgen rellen zouden veroorzaken tegen de Duitsers.

 

         De vluchtelingen leven in armoedige omstandigheden, in tenten of krakkemikkige barakken. Vluchtelingen en armoede zijn haast synoniemen. Ze hebben hun hebben en houden moeten achterlaten. Ze hebben geen inkomen uit arbeid. Ze zijn sociale outcasts. Op eigen kracht uit die spiraal van armoede geraken, is een haast onoverkomelijke opdracht.

 

         U hebt weinig verbeeldingskracht nodig om deze situatie te vertalen naar de situatie van de vluchtelingen die vandaag leven in conflictgebieden als bijvoorbeeld Syrië of Irak, of die naar het Westen zijn gevlucht en hier vandaag hun bestaan weer proberen op te bouwen. Onze grootouders waren met hun gezin voor het oorlogsgeweld op de vlucht, net als vandaag vaders, moeders en kinderen op de vlucht zijn voor oorlogsgeweld of andere schrijnende toestanden.

 

         Net daarom moeten wij als Vlamingen tijdens de symbolische jaren 2014-2018 verder durven gaan dan enkel terugkijken naar onze geschiedenis. We moeten vooral ook naar vandaag en morgen durven kijken. In en buiten Vlaanderen.

 

         Hoe meer beleidsverantwoordelijkheid Vlaanderen krijgt door de verschillende staatshervormingen, hoe meer wij worden uitgedaagd om als Vlamingen standpunten in te nemen die raken aan de wereld, en die raken aan oorlog en vrede vandaag. Vlaanderen is immers geen eiland.

 

         Het Vlaams Parlement keurt bijvoorbeeld internationale verdragen goed. Datzelfde parlement heeft in 2012 een eigen wapendecreet gestemd. Als voorzitter van het parlement ontvang ik ambassadeurs en allerhande buitenlandse delegaties. De Vlaamse minister-president neemt op buitenlandse missies de Vlaamse economische, academische en politieke voorhoede op sleeptouw. Het is belangrijk dat Vlaanderen een voldragen buitenlandse beleid ontwikkelt bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden in de wereld. Dat is niet altijd even vanzelfsprekend, en bovendien is samenwerking en afstemming met het Belgische en Europese niveau daarbij een noodzaak.

 

         Hoe dan ook, met meer ontvoogding komt meer verantwoordelijkheid. Wat als Vlaanderen op een dag zelf zou moeten beslissen over al dan niet ingrijpen in Syrië of Irak? Wat als wij over de toekomst van de NAVO moeten beslissen? Wat als wij een eigen strategie voor Afghanistan zouden moeten uitdokteren? De antwoorden zijn complex, en zouden wellicht leiden tot hevig debat.

 

         Ook vandaag zouden dergelijke vraagstukken centraler mogen staan in het maatschappelijke debat in Vlaanderen. Wij zijn als burgers in de Belgische context immers mee verantwoordelijk voor de beleidskeuzes van Buitenlandse Zaken en Defensie. Ook die verantwoordelijkheid moeten we ter harte nemen.

 

         Vlaamse vrienden,

 

         In elk geval moet het Vlaamse buitenlands beleid de vredestoets doorstaan. Het kan niet de bedoeling zijn dat we in economische, politieke, culturele of andere relaties de ogen sluiten voor geweld, schendingen van de mensenrechten, onderdrukking en armoede. Vlaanderen zou bijvoorbeeld bij economische contacten met post-conflictgebieden ook initiatieven kunnen nemen die gericht zijn op vrede en veiligheid en op armoedebestrijding. We kunnen daarnaast ook meer structureel infrastructuur en gezondheidszorg helpen uitbouwen, en meewerken aan de re-integratie van vluchtelingen.

 

         Dat is de ware betekenis van Nooit meer oorlog.

 

         Ik dank u voor uw aandacht.

 

Jan Peumans

 

[1] Misjoe Verleyen & Marc De Meyer, Augustus 1914 - België op de vlucht, Manteau, 2013

ISBN 978 90 223 2819 4

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is