Peumans over klimaatbeleid: ‘Tegen 2050 moet Vlaanderen afkicken van fossiele brandstoffen’

Door Jan Peumans op 18 april 2016, over deze onderwerpen: Leefmilieu, Voorzitterschap

Na de klimaattop van Parijs, lanceerden Vlaams minister-president Bourgeois en klimaatminister Schauvliege het initiatief voor een Vlaamse klimaattop. Nu dinsdag 19 april is het zo ver. In aanloop naar die top sprak MO* met Jan Peumans, die behalve voorzitter van het Vlaams Parlement, ook voorzitter is van de Vlaamse Klimaatcommissie die na de top van Parijs in het leven is geroepen.

Aan institutionele initiatieven ontbreekt het niet. Ons land heeft niet alleen vier instanties die over het klimaatbeleid beslissen: het Vlaamse, het Waalse en het Brusselse gewest, en het federale niveau. We hebben ook een nationale klimaatcommissie, waar die vier instanties met elkaar overleg plegen. En sinds februari hebben we ook een Vlaamse Klimaatcommissie.

Die commissie is er gekomen op vraag van Groen met de bedoeling om het Vlaamse klimaatbeleid over de partijen heen te stroomlijnen, om een tandje bij te steken en een gezamenlijke visie te ontwikkelen in het licht van het klimaatakkoord van Parijs. De opdracht is afgebakend in de tijd: bedoeling is dat ze zes maanden zal werken, tot aan het zomerreces. Voorzitter van die Vlaamse Klimaatcommissie is Vlaams Parlementsvoorzitter Jan Peumans. MO* vroeg Peumans naar de betekenis en de ambities van deze commissie.

Vanwaar het idee om zo’n commissie op te richten?

Jan Peumans: Meer dan zes jaar is er onderhandeld over de lastenverdeling voor de klimaatinspanningen van elk van de vier instanties (de drie gewesten en het federale niveau) voor de periode 2012-2020. Toen dan eindelijk de knoop werd doorgehakt, heeft één partij het proces stilgelegd, de N-VA, omdat men het er niet mee eens. Men vond dat een te groot deel op de schouders van Vlaanderen terecht kwam en dus moest er opnieuw onderhandeld worden. Vanuit die ervaring en nu het klimaatakkoord van Parijs er is, vond men het belangrijk om te kijken welke richting Vlaanderen in de toekomst moet uitgaan. We willen daarbij een onderscheid maken tussen de periode van 2020 tot 2030, het decennium van de transitie, en het langere perspectief van 2030 tot 2050.

Hoe pakt u dat aan?

Jan Peumans: De inhoud van de agenda wordt bepaald door de commissieleden. Vervolgens heb ik alle partijen gehoord en hebben we een lijst opgesteld met specialisten die we willen horen. We zijn begonnen met het Europese perspectief: Jos Delbeke, hoofd van DG-CLIMA van de Europese Commissie is komen spreken, en Hans Bruyninckx, directeur van het Europese Milieuagentschap. Ik heb de mensen van Bond Beter Leefmilieu gehoord. Voor transport is William Todts van Transport & Environment komen spreken. Op basis van die hoorzittingen proberen we een visie te vormen.

Dat is een andere aanpak dan we hier gewend zijn. Gewoonlijk nodigt men de usual suspects uit: Unizo, Voka, Boerenbond, de vakbonden. Maar hun standpunten zijn gekend, die staan op papier. We hebben aan hen wel een advies gevraagd via de adviesraden die er in Vlaanderen bestaan: de SERV (Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen), de Minaraad, de SALV (Strategische Adviesraad Landbouw en Visserij). We vragen ook een advies aan de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) en ook aan de Vereniging van Vlaamse Provincies (VVP). Alle sectoren komen hierbij aan bod: landbouw, mobiliteit, energie, wonen en huisvesting, industrie & innovatie.

Waar wil u staan tegen het zomerreces?

Jan Peumans: Bedoeling is om tot een resolutie met een reeks aanbevelingen te komen. We proberen die resolutie kamerbreed te krijgen, dat het een stellingname is van alle partijen. Of dat gaat lukken weet ik niet. Vervolgens moet die resolutie door de plenaire vergadering worden goedgekeurd en dan is het aan het parlement om de opvolging te garanderen.

Belangrijk is ook dat de visie erin verder gaat dan 2019, de duur van dit parlement; dat er duidelijk gekozen wordt voor een echte transitie. En dat er vanuit federaal oogpunt een goed samenwerkingsmodel is tussen de regio’s en de federale overheid. Ook dat moet beter kunnen. Ik ben altijd voorstander geweest van dialoog met de parlementen.

Liggen de visies van de verschillende partijen in Vlaanderen ver uit elkaar?

Jan Peumans: Dat zullen we zien als we de resolutie opstellen. Tot nu toe waren het enkel nog maar hoorzittingen. De discussie is voor de volgende fase. We vragen ook aanbevelingen van de sprekers. Ook om de resolutie te schrijven, zullen we beroep doen op experts omdat daarbij moet worden nagegaan of de voorgestelde aanbevelingen politiek haalbaar zijn.

Is de resolutie niet bedoeld als een instrument dat een verschil kan maken?

Jan Peumans: De vraag is natuurlijk hoever men daarin wil gaan.

Heel vaak lijkt het alsof men in Vlaanderen – in tegenstelling tot andere landen- klimaatbeleid ziet als een bedreiging voor de economie in plaats van een opportuniteit. Terwijl we vandaag zien bijvoorbeeld op vlak van hernieuwbare energie dat de omslag is gemaakt. Er wordt meer geïnvesteerd in hernieuwbare energie dan in fossiele brandstoffen.

Jan Peumans: Dat is een heel goeie opmerking. Sommigen in Vlaanderen hebben die kijk, anderen niet. Er zijn mensen die zeggen dat je nog meer regels moet opleggen aan de economie. Partijen die meer economisch gedreven zijn, zullen zeggen dat een aantal van die maatregelen in het nadeel van de economie werken. Maar Jos Delbeke maakte een opmerking die deze opstelling ontkracht: het is namelijk gebleken dat de toename van de welvaart gepaard is gegaan met veel strengere klimaateisen.

Waarom die terughoudendheid, wanneer we in Vlaanderen sterke troeven hebben om een koolstofarme economie uit te bouwen. We hebben instanties als Ovam en Vito, we hebben groene technologie, we zijn een rijke regio.

Jan Peumans: Men is het er wel over eens dat we tegen 2050 geen fossiele brandstoffen meer gaan hebben omdat we een andere manier van energiebevoorrading zullen hebben en dat is een geweldige transitie. Vijfentwintig jaar geleden vond iedereen het heel normaal dat alles met steenkool werd aangedreven.

Wij hebben de steenkool achter ons gelaten en zijn overgeschakeld op olie. Nu moeten we omschakelen naar hernieuwbare energie. Elk van de sprekers in de commissie heeft benadrukt dat dit veel tewerkstelling kan opleveren. Daar komt ook hoogstaande technologie bij kijken.

 

De industrie zal zich moeten aanpassen. We nodigen ook een aantal bedrijven uit die aantonen dat ze goede resultaten kunnen halen en tegelijk heel ecologisch werken, met name Alpro en Nike. Ook op sociaal vlak zijn dat bedrijven die anders omgaan met hun werknemers.

Zulke bedrijven vragen ook om een duidelijke regelgeving. Daar heeft de overheid een belangrijke rol te spelen maar als die er zo lang over doet om knopen door te hakken of terugkomt op eerdere beslissingen, dan heb je als bedrijf geen betrouwbaar kader voor de lange termijn. Men vergroot de onzekerheid voor de bedrijfswereld.

Jan Peumans: Is dat zo?

Dit geldt zeker voor de sector van de windenergie.

Jan Peumans: In verband met de windmolens dan hebt u het over ruimtelijke ordening. Als een overheid duidelijke richtlijnen zou creëren op de middellange termijn, tot 2030 dan zouden we meer bestaanszekerheid aan de industrie kunnen geven.

Zelfs Voka merkt op dat de trendbreuk bezig is en bedrijven nerveus zijn. Op zo’n moment is een regelgevend kader nodig dat de richting aangeeft.

Jan Peumans: Maar als je dan een beslissing neemt over hernieuwbare energie, krijg je wel de Turteltaks over je heen. Ik heb zelf geen zonnepanelen, en betaal wel bij voor die van mijn buurman. Maar uiteindelijk betaal je op die manier mee voor schonere lucht.

Energie is zwaar gecentraliseerd. We moeten in de toekomst naar een gedecentraliseerde stroomopwekking. Als je dat twintig jaar geleden zou gezegd hebben, zou men zeggen “ben je op je hoofd gevallen?”. Een aantal tendensen zijn aan het keren en de industrie moet mee. Ze kan daar ook geld aan verdienen.

De beslissing om de kerncentrales langer open te houden gaat helemaal tegen die tendens in.

Jan Peumans: Daar heeft u volkomen gelijk in. Mijn partij is daar voorstander van maar ik ben het daar niet mee eens omdat je dan een rem zet op de evolutie naar hernieuwbare energie. En minister Marghem en ook minister Turtelboom hebben nog altijd geen energieplan.

Gaat het werk van deze commissie, met haar resolutie, helpen om tot een gezamenlijke globale visie te komen? 

Jan Peumans: Ik heb Delbeke gevraagd naar een goed voorbeeld van een land dat federaal georganiseerd is op vlak van energie. Canada, Duitsland, Verenigd Koninkrijk, Spanje in zekere zin, hebben een federale structuur. Wat is daar de taak van de centrale overheid en wat is de taak van de regionale overheden? Wij hebben in België halfslachtige oplossingen, want hernieuwbare energie is een Vlaamse bevoegdheid, terwijl elektriciteit maken een federale bevoegdheid is.

Je zou kunnen voorstellen om het regionale terug federaal te maken maar dan krijg je ruzie met mij. Ik ben overtuigde regionalist. Maar je kan ons elektriciteitsnet perfect opsplitsen. We hebben kerncentrales in Doel en we hebben er in Hoei, bij wijze van spreken. De ene aan de Schelde, de andere aan de Maas. Je moet naar een goed model streven, waarbij je door een goede samenwerking tot een globaal energieplan komt met duidelijke taken voor elke instantie.

De regionale schaal biedt opportuniteiten. Je zou kunnen zeggen: ‘We gaan voor Vlaanderen klimaatneutraal in 2030.’

Jan Peumans: Ja, maar je moet opletten dat je je eigen systeem niet zodanig verzwaart dat je uit de markt geconcurreerd wordt. Als je in Vlaanderen de lat te hoog legt voor de industrie wijken bedrijven uit over de grens. De loonlast in dit land is ook veel te hoog. Er zijn heel wat bedrijven die de Maas overgegaan zijn en zich in Nederlands Limburg vestigen omdat de condities daar gunstiger zijn.

Denemarken wil klimaatneutraal zijn tegen 2025 en Duitsland koos resoluut voor de Energiewende. Dat zijn duidelijke keuzes.

Jan Peumans: Duitsland is tien keer zo groot als België en heeft 80 miljoen inwoners, wij hebben er 11 miljoen. We zitten op een kluitje bij elkaar. Als ik zie welke discussies er allemaal gepaard gaan met het plaatsen van windmolens. Je moet ook rekening houden met de leefomgeving van de mensen. Ik ben het met u eens: het regelgevend kader van de overheid is niet voldoende duidelijk om de richting aan te geven voor de ontwikkeling van windenergie. Maar op vlak van woningbouw is het kader wel duidelijk en liggen de normen voor het energieprestatiecertificaat steeds hoger, en terecht.

Mobiliteit en ruimtelijke ordening zijn gevoelige pijnpunten.

Jan Peumans: Mobiliteit is een heel moeilijk onderwerp. Nog los van het gebruik van de open ruimte. We leggen bijna geen wegen meer bij.

Minister Ben Wuyts wil toch de Brusselse ring verbreden?

Jan Peumans: Wanneer ik in het buitenland kom zie ik dat men daar telkens het doorgaand en het plaatselijk verkeer probeert te scheiden. Dat zal men hier ook moeten doen. Je kan zeggen: iedereen moet maar de trein of het openbaar vervoer nemen. Maak je daar geen illusies over. Als je 10 procent van het autovervoer weghaalt, moet je tijdens de spits de capaciteit van het openbaar vervoer met 50 procent verhogen.

Ons consumentengedrag is ook zo dat als we iets nodig hebben, we onze iPad openen om een bestelling te plaatsen die binnen de 24 uur wordt aangeleverd. De bedrijven hebben geen opslagplaatsen meer, alles is just in time. Als je dat maatschappelijk model kan veranderen naar een ander model, kan je een verschil maken.

Er wordt toch veel gesproken over het her-lokaliseren van de economie.

Jan Peumans: Ik volg al dertig jaar mobiliteit in dit land. Ik heb daar niet veel beweging in gezien. Ik heb geen verschuiving van de vrachtwagens naar de waterwegen gezien. Waterwegen zijn een log apparaat om aan just in time te beantwoorden. Er zijn wel zuiniger wagens gekomen. Steve Stevaert heeft destijds veel geld in het openbaar vervoer gepompt, maar ik heb geen grote verschuivingen gezien in het gedrag van mensen.

Wat is uw aanbeveling na zoveel jaar deskundigheid in mobiliteit?

Jan Peumans: Het gaat niet over één aanbeveling maar over honderd aanbevelingen. Qua ruimtelijke ordening hebben wij toegelaten dat de mensen konden wonen waar ze maar wilden. Stop met woonuitbreidingsgebieden aan te snijden, doe aan verdichting, daar ben ik het volledig mee eens. De ruimtelijke ordening moet aangepakt worden maar ik vrees dat het heel moeilijk is om de lintbebouwing ongedaan te maken.

U zou een goede minister van Klimaat zijn: u bent voor de transitie, voor gedecentraliseerde energie, tegen kernenergie, tegen grootschalige projecten …

Jan Peumans: Dat is niet mijn ambitie, ik ben 65 en ik heb met deze functie de job van mijn leven.

Toch zegt men vaak dat het parlement niets meer te zeggen heeft. Politieke beslissingen worden in de kabinetten en door de partijleiding genomen.

Jan Peumans: Dat is een heel interessant punt. Hoe werkt het? Er wordt een regeerakkoord gemaakt en daar worden de krijtlijnen afgesproken tussen twee of drie partijen. Daar begint het al want je kan niet zo maar geïmproviseerd zeggen ik ga dit of dat doen. Binnen het regeerakkoord worden er afspraken gemaakt en dan komen er beleidsnota’s van de verschillende ministers. Die worden vertaald in beleidsbrieven waar in staat wat men elk jaar wil waarmaken. En dan gaat men na wat men via decreten wil realiseren.

Als de volksvertegenwoordiger die in de meerderheid zit, verstandig is en een aantal van zijn agendapunten gerealiseerd wil zien, dan zorgt hij ervoor dat hij voor het proces van voorontwerp en ontwerp begint te lopen, met de cabinetards mee in de cockpit zit om te beïnvloeden.

Het hangt van de spierballen van de volksvertegenwoordiger af en hoe sterk die op zijn strepen staat. Er zijn twee mogelijkheden om je slag te slaan: ervoor zorgen dat je specialist bent op je domein, zodat je echt kan wegen bij het regeerakkoord, of achteraf, wanneer de regering van start gaat, ervoor zorgen dat je mee in de cockpit zit bij het wetgevend werk. Dat is de politieke praktijk en die geldt voor links zowel als voor rechts.

Terug naar de Klimaatcommissie: BBL heeft u vorige week 21 beleidsmaatregelen overhandigd. De klemtoon ligt daar op het feit dat stap voor stap maatregelen niet langer volstaan, we zijn toe aan een integrale systeeminnovatie.

Jan Peumans: Ik ben het daarmee eens en alle sprekers die tot nog toe geweest zijn bevestigen dit. Ik zeg niet dat de politici dat zeggen.

Dat veronderstelt wel een trendbreuk van de politiek: want de minister van Klimaat, van Energie, van Landbouw, van Mobiliteit en van Economie moeten allemaal samenwerken met elkaar, aan een gezamenlijk plan.

Jan Peumans: Om transversaal te kunnen werken, moeten we inderdaad tegen de verkokering ingaan. Daarom is het belangrijk dat we in die resolutie ook het aspect governance meenemen: je moet ook nagaan hoe we de voorgestelde maatregelen gaan implementeren. Daarvoor moet de overlegstructuur veranderen.

Heel veel hangt echter af van personen. Als je karakterieel vindt dat je iemand niet kunt hebben, dan zal je daar ook niet mee kunnen samenwerken. Een ideaal model is belangrijk, maar het hangt niet alleen van de kabinetten af, ook van de administraties.
Er zijn ambtenaren van hetzelfde departement die elkaar tegenspreken. Dan is het moeilijk om tot een eenduidig advies te komen.

Hoe kan er meer transversaal gewerkt worden?

Jan Peumans: Door een aantal agentschappen te integreren in andere agentschappen. Deze regering heeft een aantal agentschappen afgeschaft. De agentschappen van ondernemen en innovatie bijvoorbeeld. Het IWT en het Agentschap voor Ondernemen heeft men geïntegreerd in het Agentschap Innoveren en Ondernemen en dat is een goeie zaak. Dan heb je één loketfunctie waar mensen terecht kunnen.

Wat is er gebeurd met Vlaanderen in Actie en kan dit een instrument zijn om aan Vlaanderen klimaatneutraal te werken?

Jan Peumans: Vlaanderen in Actie is begraven. Dat is de ziekte van de politiek. Vlaanderen in Actie (VIA) was van de vorige legislatuur en dat was het project van Kris Peeters. Dat was een globaal plan van de minister-president om een globale visie te ontwikkelen over hoe Vlaanderen zich op termijn moet ontwikkelen. Zopas heeft minister-president Geert Bourgeois de Toekomstvisie 2050, die de Vlaamse regering heeft goedgekeurd, overgemaakt aan het parlement. Dat is nu het nieuwe verhaal maar daar zitten heel wat zaken in die uit VIA komen.

Toen ik, lang geleden, op het kabinet van Johan Sauwens werkte, hadden we contacten met de Nederlandse minister van Verkeer en Waterstaat. Die had een secretaris en een chauffeur, maar geen kabinet. Zij viel gewoon terug op de administratie. Bij ons is men begonnen met kabinetten te maken en dat krijg je er niet meer uit. Waarom niet? Omdat de topambtenaren die op die administraties werken, aan politiek doen. En dat is de realiteit. Dat is de ziekte van het systeem waar wij in zitten. Als je ziet dat minister Galant niet kan samenwerken met haar secretaris-generaal omdat die van een andere politieke kleur is, dat is wel heel erg.

Daar zijn wij allemaal het slachtoffer van.

Jan Peumans: Inderdaad. Krijg je dat veranderd? Hier in het parlement gaat het anders. Als we iemand moeten aanwerven, moet die deelnemen aan een examen. Een partijkaart komt daar niet bij kijken. Dat is gedaan, terecht.

 

Alma De Walsche

MO*REDACTIE
Latijns-Amerika & ecologie
18 april 2016

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is