Museum aan de IJzer biedt nieuwe kansen voor herdenkingstraditie

Door Jan Peumans op 28 februari 2014, over deze onderwerpen: Voorzitterschap

Naar aanleiding van de heropening van het Museum aan de IJzer reflecteert de voorzitter van het Vlaams Parlement over de herdenkingstradities rond de wereldoorlogen.

Dames en heren,

Ik dank u voor de gelegenheid die u mij biedt hier het woord te voeren.

Dit jaar is het honderd jaar geleden dat de Eerste Wereldoorlog begon. Verschillende overheden en instanties zijn bezig met de herdenking van de Eerste Wereldoorlog. Herdenkingen van het oorlogsverleden hebben in alle samenlevingen die bij de wereldoorlogen betrokken waren, een vaste plaats gekregen. Herdenkingen zijn in eerste instantie een manier om de herinnering aan slachtoffers van oorlogen en conflicten in ere te houden. Ook vandaag nog houden herdenkingsplechtigheden hun waarde als rituele praktijken waarop respect en dankbaarheid betuigd worden aan al wie tijdens de oorlogen geleden heeft.

Maar naast dit motief zijn herdenkingen altijd fora geweest om ook andere boodschappen over te brengen. Die boodschappen kunnen heel divers zijn. Ik verklaar me nader aan de hand van de manier waarop Vlaanderen de Eerste Wereldoorlog herdenkt.

De Westhoek, bekend als Flanders Fields, vormde tijdens de Eerste Wereldoorlog het belangrijkste slagveld aan het westelijk front. Tot op vandaag blijven namen van plaatsen als Ieper en Passendale symbolen voor de menselijke kost van de oorlog.

De herdenking van deze gebeurtenissen vertoont drie stromingen, die uiteraard raakpunten hebben, maar toch ook opvallende verschillen. Er is de herdenkingstraditie van de Britse Commonwealth, die haar kernactiviteit in Ieper ontplooit. Er is de Vlaamse herdenkingstraditie, die in de Westhoek en vooral in Ieper en hier in Diksmuide haar wortels heeft. En er is de Belgische nationale herdenkingstraditie, die over het hele grondgebied van België in stand wordt gehouden.

De herdenkingen van het Britse Commonwealth, het Britse Gemenebest, zijn na de oorlog in het leven geroepen om de gesneuvelden te herdenken die in buitenlandse grond begraven liggen. Na vier jaar loopgravenoorlog hadden grote aantallen soldaten in de Westhoek hun laatste rustplaats gekregen. Voor veel oudstrijders en hun familie werd het na de oorlog een traditie om regelmatig naar Flanders Fields te reizen en er de gesneuvelden eerbied te betuigen en de oorlog te herdenken.

De Commonwealth houdt grote herdenkingen op Wapenstilstand en op de verjaardagen van de slag om Passendale en de slag om Mesen. Maar het meest bekend is de dagelijkse herdenkingsplechtigheid onder de Menenpoort in Ieper, waar ’s avonds om acht uur de hoornblazers de Last Post blazen om eerbied te betuigen aan de troepen die in de Westhoek gevochten hebben.

Naast de Last Post Association is het Gemenebest ook continu aanwezig via de Commonwealth War Graves Commission, die zich tot doel stelt elke gesneuvelde gelijkwaardig te eren. Dat vertaalt zich in de bekende begraafplaatsen, waar alle grafstenen uniform zijn en die in het herdenkingstoerisme een prominente plaats innemen. Het is mede aan dit soort toerisme te danken dat de herdenkingen blijven plaatsvinden.

Voortdurend is het zoeken naar een delicaat evenwicht tussen beide. De Last Post bijvoorbeeld is de jongste twintig jaar uitgegroeid tot een toeristische topattractie, waarbij het publiek al lang niet meer beperkt is tot nabestaanden van gesneuvelden, maar van heel divers pluimage is, gaande van schoolgroepen, gezinnen, dagjestoeristen en kusttoeristen die even naar het binnenland trekken. Dat maakt van deze vorm van toerisme zowaar een belangrijke economische motor in deze regio.

Van heel andere aard is de Belgische nationale herdenkingstraditie. 11 november is de officiële datum voor de herdenking van alle Belgen die tijdens en sinds de Eerste Wereldoorlog in een gewapend conflict zijn gesneuveld. De nationale plechtigheid vindt altijd plaats in Brussel, in aanwezigheid van de koning.. Naast de herdenking van de gesneuvelden heeft de nationale herdenking de bedoeling om de nationale eenheid te bevorderen, het project van nationale identiteitsvorming te ondersteunen en noties als patriottisme te promoten.

De Vlaamse herdenkingstraditie is hier, in Diksmuide, ontstaan. Na de oorlog nam de Vlaamse Beweging een reeks initiatieven om de Vlaamse soldaten die in het Belgisch leger gevochten hadden, te eren. De Vlaamse Beweging promootte daarin de vredesboodschap, in antwoord op de oorlogsgruwelen, maar tevens de politieke aanspraken op Vlaamse autonomie, in antwoord op de manier waarop de Vlaamse soldaten waren behandeld door hun Franstalige oversten.

Daarom verliep de eerste IJzerbedevaart in 1920 onder een drieledig motto ,,Nooit meer oorlog”, ,,zelfbestuur” en ,,godsvrede”. Deze meervoudige boodschap groeide snel uit tot de centrale slagzin van de Vlaamse herdenkingstraditie, hoewel door de jaren heen de klemtonen en de interpretaties wijzigden. Ook de IJzertoren zelf balanceerde tussen de vredesboodschap en de politieke agenda’s, in zoverre dat het tot een treurig schisma leidde dat aanleiding gaf tot de IJzerwake.

Sinds enkele jaren heeft het IJzerbedevaartcomité een beweging ingezet om opnieuw te focussen op de wortels van de IJzergetuigenis, door zijn missie te hertalen in het drieledige Vrede, Vrijheid en Verdraagzaamheid. Ondanks de vele verschillen binnen de Vlaamse Beweging blijft de wens om de vredesboodschap te verspreiden dus prominent aanwezig.

Dames en heren,

We mogen de ogen niet sluiten voor het feit dat de herdenking van het oorlogsverleden vandaag op een keerpunt staat. De tijd is gekomen om ervoor te zorgen dat herdenkingen blijven inspelen op de noden van de hedendaagse samenleving. Nieuwe vormen en methodes zijn nodig. De herdenking van 100 jaar Eerste Wereldoorlog biedt daarvoor een uitgelezen kans.

Daarbij moeten we niet alleen oog hebben voor het verleden, maar evenzeer voor het heden en de toekomst. Vandaag zijn conflictpreventie en vredesopvoeding meer dan ooit nodig. De Groote Oorlog mag dan straks een eeuw achter ons liggen, gewapende conflicten zijn van alle tijden. Ik hoef alleen maar de namen Syrië of zelfs op ons eigen continent Oekraïene te laten vallen, of de oorlogsgruwel komt ons scherp voor de geest. Ook de mensen die daar omkomen, zijn in de woorden van Willem Vermandere: ,,altijd iemands vader, altijd iemands kind”.

Hoe meer beleidsverantwoordelijkheid Vlaanderen krijgt door de verschillende staatshervormingen, hoe meer wij ook geconfronteerd worden met vraagstukken waarop een eenduidig antwoord niet eenvoudig is. We worden steeds meer uitgedaagd om als Vlamingen standpunten in te nemen die raken aan de wereld, en die raken aan oorlog en vrede vandaag. Vlaanderen is immers geen eiland.

Het Vlaams Parlement keurt bijvoorbeeld internationale verdragen goed. Datzelfde parlement heeft in 2012 een eigen wapendecreet gestemd. Als voorzitter van het parlement ontvang ik ambassadeurs en allerhande buitenlandse delegaties. De Vlaamse minister-president neemt op buitenlandse missies de Vlaamse economische, academische en politieke voorhoede op sleeptouw. Het is belangrijk dat Vlaanderen een voldragen buitenlandse beleid ontwikkelt bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden in de wereld. Dat is tot nog toe niet altijd even vanzelfsprekend, en bovendien is samenwerking en afstemming met het Belgische en Europese niveau daarbij een noodzaak.

Hoe dan ook, met meer ontvoogding komt immers meer verantwoordelijkheid. Wat als Vlaanderen op een dag zou moeten beslissen over al dan niet ingrijpen in Syrië? Wat als wij over de toekomst van de NAVO moeten beslissen? Wat als wij een eigen strategie voor Afghanistan zouden moeten uit dokteren? Het antwoord is complex, en zou wellicht leiden tot hevig debat. Ook vandaag zouden dergelijke vraagstukken centraler mogen staan in het maatschappelijke debat. Wij zijn als burgers in de Belgische context immers mee verantwoordelijk voor de beleidskeuzes van Buitenlandse Zaken en Defensie. Ook die verantwoordelijkheid moeten we ter harte nemen.

In elk geval moet het Vlaamse buitenlands beleid de vredestoets doorstaan. Het kan niet de bedoeling zijn dat we in economische, academische, culturele of andere relaties de ogen sluiten voor geweld, mensenrechtenschendingen en onderdrukking. Vrede, vrijheid en verdraagzaamheid zijn geen loze woorden. Het is goed dat wat vredesvraagstukken betreft, de Vlaamse volksvertegenwoordigers hier ondersteund worden door het Vlaams Vredesinstituut: een onafhankelijk instituut voor vredesonderzoek bij het Vlaams Parlement.

Het gaat bovendien niet alleen om conflictpreventie op mondiale schaal. Ook in onze eigen samenleving vraagt werk maken van vrede onze volgehouden  aandacht. Door zijn bevoegdheid over Onderwijs, heeft Vlaanderen met de toekomst van onze jongeren, goud in handen. Doelstellingen rond vrede en conflicthantering moeten structureel ingebed worden in ons onderwijs. Scholen en organisaties met een educatief aanbod kunnen daarin nog meer ondersteund worden. Want het zijn dergelijke organisaties die in de praktijk van alledag het verschil maken. Het initiatief van vandaag – de heropening van het Museum aan de IJzer – neemt daarbij een prominente plaats in. Ik feliciteer u daarmee en wens u alle succes voor de toekomst.

Ik dank u voor uw aandacht.

Foto-album

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is